In het bos bij Goudhaan
Tussen de bomen door schijnt het zachte licht van de laatste paar zonnestralen van de dag. De schemering doet zijn intrede. De stilte wordt doorbroken door de roep van een merel. Dat is het enige geluid dat Goudhaan hoort. Goudhaan is onrustig. Hij is niet gewend aan deze verstilling en voelt zich er niet prettig bij. Het is een groot contrast met de discomuziek van de kermis. Er is geen het gegil van de mensen die door elkaar worden geschud in de Power Surge. De echoënde omgevormde stemmen van de kermismensen, die de attracties bedienen, ontbreken.
De natuurlijke stilte is om nog een andere reden vreemd. Als Lawaaipapegaai in de buurt is, dan is het zeker niet stil. Dit keer kun je haar aanwezigheid gemakkelijk over het hoofd zien. Desondanks heeft Goudhaan haar eindelijk gevonden. Ze zit op een omgevallen boomstam zomaar ergens in het bos. In elkaar gedoken, haar veren grauw en haar lange staart hangend op de grond besmeurt met modder. Haar veren staan piekend overeind alsof Lawaaipapegaai onder stroom heeft gestaan. Op sommige plekken is ze kaal en is haar roze vel te zien. Er is niets over van de kleurige papegaai die het hoogste woord voerde bij de Fabula’s. Ze fladderde dan druk heen en weer en gilde verschillende kreten in ieders oren. “Lelijk.” “Ik hou van je.” “Hallo. Dag.” “Fuck you.” “Kusje.” Bovendien schrokken de Fabula’s om de haverklap op van de rauwe kreten die ze uitte. Kreten die door merg en been gingen.
Nu zit ze stil. Goudhaan kijkt door het bladerdek van de struiken naar Lawaaipapegaai. Hij is ontsteld over de staat waarin hij Lawaaipapegaai aantreft. Waarom ze niet een beschut plekje hoog in de boom heeft opgezocht, komt waarschijnlijk door de grote, glazen fles die ze vasthoudt. De fles houdt ze met haar rechtervleugel vast, terwijl ze met haar gekromde snavel de dop erop drukt.
De Fabula’s wonen als onzichtbare gemeenschap op de kermis van de mensen. Fabula’s zijn geen gewone dieren. Ze zijn intelligent en spreken dezelfde taal als de mensen. Hun uiterlijk wijkt af. Sommige Fabula’s lijken op de gewone dieren, maar andere Fabula’s hebben kleuren of vachten die je niet verwacht. Maar wat de Fabula’s écht bijzonder maakt, is hun gift. Elke Fabula heeft een gift. Sommige giften zijn heel handig, zoals het geluk van Geluksvogel. Andere giften zijn compleet nutteloos of zelfs niet wenselijk. De pech van Pechvogel wens je niemand toe.
Doordat de Fabula’s op de kermis wonen, reizen ze mee van plek naar plek. Op de kermis wonen ze in de vreemdste uithoeken. Zo woont Suikerspin in een gang van het House of Terror. Stoeipoes woont bovenin de snoepkraam.
Lawaaipapegaai is een Fabula die door kan gaan voor een gewone papegaai, dus zij kan het zich veroorloven om gezien te worden door de mensen zonder dat ze de kring van Fabula’s verraad. Voor Goudhaan is dit echter een ander verhaal. Met zijn glanzend, gouden verenkleed kan hij niet doorgaan voor een haan zoals de mensen die kennen. Zo groot als een gewone haan met een gouden kam en sierlijke gouden staartveren is Goudhaan een indrukwekkende Fabula met een bijna majestueuze uitstraling. Goudhaan is de voorzitter van de dierenkring waar alle Fabula’s lid van zijn. Zijn verantwoordelijkheid als voorzitter heeft hem hier gebracht, op zoek naar Lawaaipapegaai. Een ambitieus plan van Goudhaan hangt op de stem van Lawaaipapegaai. Een meerderheid van de Fabula’s is voor zijn plan, maar elke Fabula moet zijn stem uitbrengen om een plan formeel goedgekeurd te krijgen. Net deze ene stem van Lawaaipapegaai voor of tegen staat in de weg van de uitvoer van zijn plan. Als Lawaaipapegaai haar stem niet uitbrengt, dan wordt het plan afgekeurd. Vergadertijger is onvermurwbaar en wil niet afwijken van de regels.
Op eerlijke en soms op minder eerlijke manieren hebben Fabula’s manieren gevonden om mensengeld te verdienen. Ze gebruiken dit geld om mensenspullen te kopen bij mensenwinkels. Online bestellen ze het en ze krijgen het geleverd op de kermis. Het is niet nodig om naar een echte mensenwinkel te gaan. Een enkele keer gaat het mis met de levering en belanden de spullen bij de kermismensen. Dit is niet het probleem waar Goudhaan een plan voor heeft bedacht. Het probleem is dat het mensengeld op is. De verwende Fabula’s hebben moeite om hun nieuw verworven luxe te missen en zijn naarstig op zoek naar geld. Om problemen te voorkomen is Goudhaan op zoek gegaan naar een oplossing. De oplossing komt bij de mensen vandaag. Het is iets wat de mensen als afschuwelijk ervaren en een noodzakelijk kwaad noemen. Goudhaan schrok ervan toen hij dit vernam van Stokpaardje, maar hij zag toch wel de voordelen die Stokpaardje voor het voetlicht bracht. Door middel van belastingheffing draagt elk lid van de gemeenschap bij aan de gemeenschapskas en kunnen er gezamenlijke voorzieningen voor geregeld worden. Het principe van belastingheffing snapt Goudhaan. Toen Stokpaardje liet zien hoe de regelgeving precies in elkaar zit, haakte Goudhaan snel af. “Vermogensheffing op fictief rendement van gespaard vermogen en belegd vermogen.”
‘Ik weet niet eens waar ik moet beginnen met vragen stellen, Stokpaardje. Wat een fantasie hebben die mensen. Hoe bedenken ze het?’ vroeg Goudhaan zich af. Samen met Stokpaardje heeft Goudhaan een plan ontworpen dat veel simpeler is. Op deze manier kan de kring de Fabula’s voorzien van een gestage toestroom aan spullen, eten en drinken uit de mensenwereld.
Pas toen Goudhaan Lawaaipapegaai nodig had, kwam hij erachter dat er iets niet goed is. Hij kon haar niet vinden in het hokje bij de Breakdance. Hier woont ze al zo lang als Goudhaan zich kan herinneren, op de drukste plek van de kermis. Navraag onder de Fabula’s leverde op dat Lawaaipapegaai al maanden niet gezien was. De enige die Goudhaan wijzer kon maken, was Stropdas. Stropdas had Lawaaipapegaai een paar dagen geleden gesproken. Ze bleek behoefte te hebben aan stilte en wilde niet langer op de kermis wonen. Opmerkelijk was de beschrijving van Stropdas dat Lawaaipapegaai niet vliegend van de kermis was vertrokken, maar hopsend.
Gelukkig voor Goudhaan was Lawaaipapegaai zonder te vliegen niet ver gekomen. Dat scheelde voor hem, aangezien hij ook niet meer kan dan wat fladderen. Hij zag zichzelf al het hele bos door struinen om alle bomen na te gaan. Hoewel zijn zoektocht naar Lawaaipapegaai ten einde was, waren zijn zorgen er niet minder om.
Hij stapt door het bladerdek naar voren, zodat Lawaaipapegaai hem kan zien. Ze geeft geen enkel teken dat ze Goudhaan opmerkt. Ze zit doodstil met de fles onder haar vleugel. Goudhaan zet een aantal stappen haar kant op. Een subtiele trilling van de veren van Lawaaipapegaai is zichtbaar. Ondertussen vraagt Goudhaan zich af hoe het kan dat het zo slecht gaat met Lawaaipapegaai en dat geen enkele Fabula dit door had. Máánden is ze niet onder hen geweest. Hoe kan het dat we Lawaaipapegaai opnieuw in de steek hebben gelaten? Na haar ontvoering hebben we de zoektocht te snel gestaakt, waardoor ze jaren in gevangenschap heeft doorgebracht. Wat zag ze er slecht uit toen ze terug kwam. Haar kleurenpracht herstelde, maar volledig de oude is ze niet meer geworden. Als ze onder de Fabula’s was, dan was ze zeer aanwezig. Maar verder zag je haar weinig. Ze werkte niet, ze droeg niets bij aan de kring, je zag haar nooit met vrienden en een partner heeft ze nooit gehad. En wat heeft die fles hiermee te maken? Zitten er noten in dat ze die fles zo krampachtig vasthoudt? Of stiften of mensengeld? Wat kan er in die fles zitten waardoor Lawaaipapegaai de fles persé vast wil houden en niet vliegt?
Lawaaipapegaai heeft in vergelijking met andere Fabula’s weinig behoefte aan spullen. Het enige waar ze veel van heeft zijn pennen, stiften, potloden en stokjes van vergelijkbare grootte. Ze struint regelmatig de kermis af op zoek naar toevoegingen aan haar verzameling. Voor mensen is het zoek raken van pennen een bekend fenomeen, maar voor de kermismensen is er een tijd geweest dat ze gek werden van het verdwijnen van élke pen. Hoewel ze geen idee hadden van de fetisj van Lawaaipapegaai, zijn ze per ongeluk achter de oplossing gekomen. De kermismensen gebruiken goedkope, rubberen pennen. Het rubber smaakt volgens Lawaaipapegaai naar kaas en plakt aan haar snavel. Ze gruwt ervan.
Goudhaan staat vlakbij haar, maar voelt dat hij niet dichterbij moet komen. Hij kan nu goed zien wat er in de glazen fles zit. Hoewel hij het ziet, snapt hij niet wát hij ziet. Het is in ieder geval geen van de dingen die hij verwachte. Hij ziet beweging in de fles. Verschillende zachte kleuren licht die kolken in de fles. Hij herkent niet wat het zou kunnen zijn.
‘Hi, wat fijn dat ik je eindelijk gevonden heb. We waren je kwijt. We konden je nergens op de kermis vinden. Wat doe je hier?’ Lawaaipapegaai kijkt Goudhaan aan, maar reageert niet. Ze blijft met haar snavel de dop op de fles duwen, maar het valt hem wel op dat het licht in de fles heviger kolkt als hij tegen Lawaaipapegaai spreekt. ‘Waarom laat je die fles niet even los, Lawaaipapegaai?’
Ze schud haar kop en draait zich van hem weg.
‘Okay, okay.’ Goudhaan maakt een verontschuldigend gebaar. ‘Blijkbaar kun je de fles niet loslaten. Geef hem aan mij, dan hou ik hem goed voor je vast.’
Lawaaipapegaai draait zich verder weg, scharrelt onhandig van de boomstam af en loopt schichtig weg het struikgewas in.
In het bos bij Beunhaas
Op verzoek van Goudhaan is Beunhaas op zoek gegaan naar Lawaaipapegaai. Beunhaas had wat tijd over en is bereid om Goudhaan te helpen met zijn probleem met Lawaaipapegaai. Hij kon niet goed opmaken wat het probleem was. Moet hij nou zorgen dat het beter gaat met Lawaaipapegaai, zorgen dat er een glazen fles wordt geleegd of dat ze haar stem terug krijgt? Of wilde Goudhaan hebben wat er in die fles zit?
Beunhaas vindt Lawaaipapegaai op dezelfde plek als Goudhaan, staand op de boomstam met de glazen fles onder haar vleugel. Ze kijkt naar de plek waar Beunhaas in de struiken staat. Hoewel ze hem niet kan zien, weet ze dat Beunhaas daar staat. Ze hoorde hem aankomen door het geluid van zijn kettingen. Beunhaas draagt kettingen die een uitdrukking zijn van zijn veelzijdige spiritualiteit. Zo draagt hij een Chakra ketting, de rozenkrans van de katholieken, de Masbahah van de moslims, een Mezuzah ketting van de joden, Mala ketting van de Hindoes en Boeddhisten met een bergkristal eraan en een levensboom ketting. Beunhaas gelooft dat er iets groters is. De vele geloofsovertuigingen van de mensen helpen hem invulling te geven aan dat grotere geheel. Hij combineert de onderdelen waar hij zich goed bij voelt. Beunhaas denkt dat de verschillende religies één geloof zijn met meerdere goden en dat elk mens zijn eigen favoriete god kiest. Dat er weinig vrijheid in de keuze van geloof is en dat mensen elkaar zelfs naar het leven kunnen staan om hun geloof, weet Beunhaas niet.
Terwijl Beunhaas Lawaaipapegaai bekijkt, schudt hij zijn kop met zijn lange oren heen en weer. Hij bekijkt de glazen fles zo goed als hij kan vanaf deze afstand. Het kolkende licht is iets wat Beunhaas nog nooit heeft gezien. Hoe komt Lawaaipapegaai eraan? Hoe waardevol het ook is, ze moet die fles los laten. Zonder de fles kan ze bewegen, vliegen, praten en die rare geluiden maken.
Met een paar sprongen steekt Beunhaas het open veld over en blijft op geruime afstand van Lawaaipapegaai staan. ‘Hey, ik heb wat voor je meegenomen. Ik heb appel, pijnboompitten, walnoten en een paar stiften.’ Beunhaas legt het een en ander neer op de grond. Lawaaipapegaai blijft waar ze is. Ze kijkt geïnteresseerd toe. ‘Ik wil je helpen, want ik zie dat het niet goed met je gaat. Mag ik je helpen, Lawaaipapegaai?’
Het blijft stil. Lawaaipapegaai kijkt Beunhaas aan, maar geeft geen teken dat opgevat kan worden als een antwoord op zijn vraag. Hoewel Beunhaas het liefste meteen de fles van Lawaaipapegaai af zou willen pakken, besluit hij dit niet te doen na het verhaal van Goudhaan te hebben gehoord dat Lawaaipapegaai zich uit de poten maakte. Beunhaas gooit het over een andere boeg. ‘Als je ja wilt zeggen, dan kun je met je vleugel wapperen. Wil je nee zeggen, dan kun je met je poten bewegen. Dat lukt toch wel?’
Beunhaas kijkt naar Lawaaipapegaai en ziet dat ze haar vleugel beweegt. Ja, een reactie. ‘Mag ik je helpen?’ Weer de vleugel die beweegt. Beunhaas is opgetogen met deze snelle start. Hij springt nog een paar keer enthousiast heen en weer voordat hij zich herpakt om aan de slag te gaan.
Languit ligt Beunhaas aan de rand van de open plek. Beunhaas is mager en gespierd. Zijn grijze vacht is dun en stevig. Hij ligt in de volle zon, op zijn zij, zijn buik te warmen. Moedeloos is hij na een paar dagen met Lawaaipapegaai werken. Met de gebaren van vleugel en poten kon hij wat met haar communiceren, maar te beperkt om erachter te komen wat er aan de hand is. Daarom is hij zich vrij snel gaan richten op het loslaten van de fles. Hij merkte dat hij haar vertrouwen moest winnen. Na veel inpraten op Lawaaipapegaai en de belofte dat ze de dop op de fles gingen vastbinden, zette Lawaaipapegaai de fles op de grond. Onrustig liep ze om de fles heen en weer en kon zich niet concentreren op Beunhaas.
Na de tijd te nemen om aan de nieuwe situatie te wennen, ging Beunhaas in gesprek met Lawaaipapegaai. Beunhaas zat naast de omgevallen boomstam, terwijl Lawaaipapegaai tussen Beunhaas en de fles in stond. Lawaaipapegaai kon eindelijk vertellen hoe ze zich voelde. Dit ging niet vloeiend. Ze was warrig. Zodra het haar teveel werd, ging ze over op een ander onderwerp. Soms kon ze niet uit haar woorden komen of gebruikte ze de verkeerde woorden. Af en toe grepen haar herinneringen haar zodanig aan dat ze niet in staat was om te praten en ze om de fles heen liep. Ze huilde en raakte in dat moment de weg kwijt in zichzelf.
Beunhaas hoorde het aan. Hij nam er de tijd voor, moedigde haar aan om meer te vertellen en knikte begripvol. Lawaaipapegaai vertelt dat ze niet slaapt. Geluiden komen heel hard binnen. Doordat ze niet meer tegen geluid kan, is ze van de kermis naar de natuur verhuist. Ze is oververmoeid en wil slapen, maar ze kan niet slapen. Elk contact met de Fabula’s geeft haar stress, ook als een Fabula aardig is. Ze geniet nergens van. Alles is moeilijk, vermoeiend of angstig. Dat Beunhaas haar wil helpen, raakt haar. Maar ze weet niet hoe hij haar kan helpen. Ze vraagt zich af wat voor zin het allemaal heeft. Welke rol de glazen fles speelt, weet Lawaaipapegaai ook niet.
Het meest voor de hand liggende voor Beunhaas was het onderzoeken of haar ontvoering en jaren van gevangenschap een onopgelost trauma is. Lawaaipapegaai vertelde er verspreid over die paar dagen het volgende over. ‘Toen ik nog jong was, zag ik er geen gevaar in om voor mijn strooptochten naar stiften, buiten de kermis in een woonwijk op zoek te gaan. Zo kwam het dat ik vast kwam te zitten in een openbare vuilnisbak, waar ik dacht een pen te hebben gezien. Er glinsterde iets in de vuilnisbak. Ik was zover de vuilnisbak in gekropen, dat mijn pootje vast kwam te zitten. In nood schreeuwde ik om hulp. Een ouder vrouwmens kwam te hulp en bevrijdde me uit mijn netelige situatie. Ze liet me daarna echter niet meer los. Ik wist niet wat me overkwam. Als ik had geweten hoe het zou lopen, dan had ik me wel verzet. In haar handen gepikt zo hard als ik kon. Maar dat heb ik niet gedaan.
Ze nam mij mee naar huis en stopte me in een lege kooi. Deze lege kooi bleek eerder bewoond te zijn geweest door een kaketoe. De vrouw hield me gevangen in de kooi. Ik deed me voor als een gewone papegaai. Als er bezoek was, dan vertelde de vrouwmens die Sonja heette, het bezoek trots hoe ze mij gered had. Sonja hield op haar manier van mij en zorgde voor eten en voor water om te drinken. Maar ze vergat ook wel eens om mijn water te verversen, mijn water aan te vullen of me eten te geven. Gek kon ik worden van de honger of de dorst, dus dan probeerde ik aan haar verstand te peuteren dat ze me eten of drinken moest geven. Maar Sonja begreep dit nooit, ze dacht dat ik aan het spelen was en een leuke show voor haar opvoerde. Sonja had er plezier in om me te aaien, kusjes te geven of me woorden te leren. Soms was dit leuk, maar ik had er niet altijd zin in. Ze bleef dan net zolang aandringen tot ik overstag ging.
In het begin beet ik haar nog wel eens of zette ik het op een gillen, maar dan stopte ze me een paar dagen in de kooi zonder al teveel eten en drinken. Dus ja, dan ging ik toch maar leuk doen tegen haar om het allemaal wat makkelijker te maken. Dit waren echter niet de ergste dingen. Het ergste was dat het deurtje van mijn kooi altijd open stond. Ik mocht mijn kooi uit. Maar Sonja had een grote kat die op mij loerde. Die kat probeerde regelmatig uit hoe ver hij mijn kooi in kon komen. Dat gekke mens vond dit prachtig. Ze dacht dat we aan het spelen waren. Ik durfde door de kat nooit de kooi uit. Alleen als Sonja me uit de kooi haalde, kwam ik eruit en bleef ik op haar schouder zitten.’
‘Ik fantaseerde over mijn ontsnapping of over mijn bevrijding. Ik hoopte dat jullie mij zouden vinden. Maar er gebeurde niets. Jaren gingen voorbij zonder een kans op bevrijding. Sonja was heel precies en liet nooit een raam open staan en de kat liet ze altijd achter in dezelfde kamer als mijn kooi als ze wegging. Tot die ene keer dat er van alles tegelijkertijd gebeurde. Het was een warme dag, waardoor Sonja het raam open had gezet. Ze was aan het koken in de keuken. Ze stootte iets om wat op de vloer terecht kwam. Voordat ze het op kon ruimen, ging de deurbel. Er stond bezoek voor de deur. De kat was in de keuken en at het eten van de vloer. Ook al zou de kat klaar zijn met het eten, hij zou niet zo snel de woonkamer inkomen vanwege het bezoek. Dit was het moment dat ik het durfde. Ik kwam mijn kooi uit. Ik sloeg mijn vleugels uit, maar ik kon niet meer vliegen. Ik viel als een baksteen naar beneden. Ik raakte in paniek. De kat kwam uit de keuken. Sonja en haar bezoek kwamen de woonkamer in. Ik sloeg als een gek met mijn vleugels. Opeens kreeg ik de slag te pakken en kwam ik de lucht in. Niet hoog en snel genoeg. De kat zat vlak achter me. Ik voelde zijn poot langs mijn staart gaan. Ik sloeg wanhopig met mijn vleugels. Dichtbij het raam was er niet genoeg ruimte om naar buiten te vliegen. Ik moest kantelen en wat in elkaar kruipen, maar het lukte. Ik kwam erdoorheen. Ik vloog naar buiten en ik was eindelijk vrij.’
De glazen fles stond in het gras tijdens de gesprekken tussen Lawaaipapegaai en Beunhaas. Het kolkende licht in de fles verschoot regelmatig van kleur. Bij onderwerpen als de kermis en de Fabula’s stroomde het licht rustig door de fles in zachte kleuren. Heviger begon het te kolken in de fles toen Lawaaipapegaai over haar gevangenschap vertelde. Bij de moeilijkste momenten kleurde het licht zo zwart als de nacht. Na haar verhaal veranderde de houding van Lawaaipapegaai. Zij stond niet meer ineengedoken. Ze stond rustig naast de fles, terwijl het licht in de fles zachtjes rimpelde. Het lukte haar om wat te slapen. Weggekropen in een hoopje gras met de glazen fles onder haar vleugel.
Beunhaas zag de verandering, maar hij voelde dat het niet genoeg was. Hij wilde haar anders tegen haar ervaringen aan laten kijken. Daarom oordeelde Beunhaas dat ze eerder had kunnen ontsnappen, als ze haar angst niet de overhand had laten krijgen. Ook vertelde hij haar dat haar ervaring heel gewoon was. Veel dieren zaten in gevangenschap bij de mensen en zij lijken er plezier in te hebben. Zo erg hoefde het dus niet allemaal te zijn. Beunhaas vertelde over zijn eigen ervaring dat hij een tijdje bij mensen op een boerderij had gewoond. Hij had het fijn gevonden dat ze hem te eten gaven en dat hij gezelschap had van de boerderijdieren. Om beter te worden gaf Beunhaas haar het advies om vooral leuke dingen te doen. Hij gaf haar een oefening om te leren van zichzelf te houden. Hij confronteerde haar met haar angst voor katten, voor mensen en voor opgesloten zijn. Hij moedigde haar aan haar eenzaamheid te doorbreken door andere Fabula’s op te zoeken en hun kenbaar te maken wat haar behoeftes zijn.
De zachte rimpeling in de fles was gedurende de goede bedoelingen van Beunhaas verdwenen. Het licht werd langzaamaan donkerder en onrustiger. De onrust was terug te zien in het gedrag van Lawaaipapegaai. Niet alleen liep ze weer om de fles heen, maar ze slaakte rauwe kreten. Door de oefeningen raakte ze meerdere keren overstuur en leek ze weer in de war.
Zowel Beunhaas als Lawaaipapegaai hadden uitgevogeld dat de fles de meest intense gevoelens van Lawaaipapegaai bevatte. Zolang ze al haar energie gebruikte om deze gevoelens in de fles vast te houden, zou ze geen energie hebben om te leven. Niet alleen zou ze de pijnlijke emoties niet ervaren, ook zou ze nergens van kunnen genieten. Beunhaas begreep het en wilde de fles openen. Hij keek strak naar de fles en naar Lawaaipapegaai en schatte in wat nu de beste manier was. Lawaaipapegaai ving de blik van Beunhaas op en raakte in paniek. Ze vloog op de fles af, terwijl Beunhaas naar de fles sprong. Doordat ze er dichter op stond, is ze Beunhaas voor. Ze stopt de fles onder haar vleugel en vlucht. Half vliegend, half strompelend op haar poten, vlucht ze weg van Beunhaas. Verder het bos in.
Op de kermis bij de Fabula’s
Op de kermis in het Verwende Nest hebben de Fabula’s zich verzameld. Op elke plek waar de kermis neer strijkt, richten de Fabula’s het Verwende Nest opnieuw in. De kermis staat dit keer aan de rand van een stad tegen een bos aan. Het was lastig om op deze kale plek met een stenen parkeerterrein, groot hobbelig grasveld en wat betonnen gebouwen een geschikt Nest te vinden. Wat was een plek waar ze ongezien bij elkaar konden komen? Ze hadden het bijna opgegeven, totdat Snotaap de Fabula’s meenam naar een busje aan de rand van het parkeerterrein. Dit busje bleek verlaten te zijn en Snotaap had hem open weten te breken. Het was niet ruim, maar alle Fabula’s pasten erin. Het scheelt dat de meeste Fabula’s kleiner zijn dan de gewone dierenversies.
Vergadertijger heeft de kring bijeen geroepen. Zij ijsbeert op het dashboard heen en weer, terwijl de Fabula’s een plekje zoeken. De bestuurdersplek wordt geclaimd door Hooligans en Kloothommel. De andere voorstoel is afgeladen met Knuffelbeer, Piepkuiken, Stokpaardje, Schildersezel en Suikerspin op de hoofdsteun. De achterbank puilt uit en is een wirwar van Fabula’s. De vele Badeendjes in allerlei kleuren passen er niet bij en zoeken een plek in de laadbak achterin. De laadbak is groot, maar staat vol met schilderspullen. Er liggen een ladder met oude verfresten erop, potten en plastic bakken met verf en een hoop kwasten en verfrollers. Badeendje Honinggeel mikt ongelukkig bij het van de achterbank springen en belandt per ongeluk in een openstaand verfblik. De verf was voor het merendeel opgedroogd, maar toch is Badeendje Honinggeel veranderd in Badeendje Zuiver Wit met een tintje Honinggeel.
De altijd aanwezige onrust van Vergadertijger uit zich in het knisperen van haar papieren lijf. Ze is een opmerkelijke Fabula, bij elke beweging schuift haar lijf in en uit elkaar als een papieren harmonica. Het papier is echter niet wit of grijs. De print op het papier is die van een ware tijger. Krachtige zwarte strepen op oranje papier met wit op haar kop en haar buik.
Met een brul maant Vergadertijger de Fabula’s tot stilte. ‘We zijn allemaal op de hoogte van de ontwikkelingen met Lawaaipapegaai. We hebben Lawaaipapegaai eerder in de steek gelaten en het lijkt erop dat we het nu niet veel beter doen. Het gaat slecht met Lawaaipapegaai. Ze is verder weg gevlucht. We weten niet waar ze is.’
Zodra Piepkuiken opstaat om het woord te nemen, houdt Knuffelbeer haar tegen en klimt naar het dashboard. Als Piepkuiken losgaat, dan zitten ze weer net zolang bij elkaar als een vergadering van de mensen. Piepkuiken accepteert het dat Knuffelbeer haar tegen houdt, omdat ze door de snelle aai van Knuffelbeer een hoop liefde voelt. Bovenop het dashboard zit Knuffelbeer onhandig in elkaar gedoken in de krappe ruimte. Samen met Goudhaan is Knuffelbeer de grootste Fabula. Hij is even groot als Goudhaan. Voor een beer is Knuffelbeer klein en voor een knuffelbeer is Knuffelbeer groot. Zijn lichtblauwe vacht is van een zachtheid die je zelden zult voelen.
‘Ik ga geen vingers wijzen naar hoe Goudhaan dit heeft aangepakt door Beunhaas op Lawaaipapegaai af te sturen en het belang dat hij heeft. Zonde van de tijd. We gaan Lawaaipapegaai zoeken en we stoppen niet, voordat we haar gevonden hebben. Ook al betekent het dat we tijdelijk de kermis moeten laten gaan en hier moeten blijven. Ik ga op zoek en zal Lawaaipapegaai een hoop liefde geven met mijn gift als ik haar vindt. Geluksvogel, ga jij mee? Ik heb jouw geluk nodig om Lawaaipapegaai te vinden.’
Geluksvogel knikt. De verschillende Fabula’s kijken elkaar aan. Er sluit verder niemand aan. Goudhaan staat achteraan naast de uitlaadklep. Hij staat met een gebogen kop. Van de indrukwekkende, goud glanzende verschijning, zien we op dit moment slechts een haan die zich schuldig voelt. ‘Ik heb Lawaaipapegaai gefaald. Dat spijt mij. Als voorzitter heb ik grote verantwoordelijkheden en deze heb ik niet waar kunnen maken. Ik wil een kans om het goed te maken. Mag ik mee?’
Het is even stil en alle Fabula’s kijken naar Knuffelbeer. Knuffelbeer zegt: ‘Ja, dit is een goede manier om het recht te zetten.’
Vergadertijger staat tevreden toe te kijken. Ze geeft het teken dat de kring afgelopen is. Het enige dat Vergadertijger jammer vindt, is dat Piepkuiken geen gelegenheid kreeg om te spreken en dat Goudhaan en Beunhaas er te makkelijk vanaf zijn gekomen. Bij het verlaten van het busje lopen de Fabula’s langs Knuffelbeer en Geluksvogel. Één voor één wensen ze hun succes. Hun bezorgdheid om Lawaaipapegaai straalt van hun af door de ernst waarmee ze hun succeswens gepaard laten gaan. Zelfs Snotaap haalt geen streek uit en Hooligans houdt zijn gesnaterde commentaar voor zich. De kring zal niet rusten, voordat Lawaaipapegaai haar plek in de kring heeft ingenomen. Niet om haar stem, maar omdat ze één van hen is.
In het bos bij Lawaaipapegaai
Laag op de grond, in de beschutting van een struik heeft Lawaaipapegaai een plekje gevonden. Op zoek naar een plek die veilig voelt, heeft ze dicht struikgewas opgezocht. De groene blaadjes tegen haar aan, maken dat ze zich niet open en bloot voelt. Hier kan ze rusten. Geluiden van andere dieren verder weg zijn te horen, maar hier is ze alleen. Afgezien van de spin die hoger in het struikgewas een web aan het spinnen is. Een familie pissebedden is zich bij de wortels van de struik aan het ingraven. Een verdwaalde mier loopt langs haar poot.
Ze weet zich geen raad met zichzelf. Haar kop maakt overuren. Het is een complete chaos aan gedachten, gevoelens en herinneringen. Als ze denkt tot rust te komen, dan schiet haar iets te binnen waardoor de onrust zich ontpopt tot een nieuwe storm. Ze haat dit. Waarom lukt het niet om gelukkig te zijn? Of tevreden? Of ontspannen? Of om te genieten? Waarom lukt het iedereen om haar heen wel en zij niet?
Moe van zichzelf valt ze verdrietig in slaap. Lang slaapt ze niet. Ze wordt wakker door een warm gevoel. Er zit iets warms tegen haar aan. Ze kijkt naar beneden. Onder de ene vleugel staat de glazen fles en onder haar andere vleugel ziet ze een groene parkiet. De parkiet wrijft zich rustig tegen haar aan. Op meerdere plekken voelt ze dezelfde warmte en aaitjes. Er blijkt een complete groep groene parkieten om haar heen te zitten. Ze had ze niet opgemerkt, omdat ze bijzonder stil zijn voor groene parkieten. Over het algemeen zijn groene parkieten nadrukkelijk te horen met hun schelle kreten en klinkt een enkele groep als zo’n twintig Lawaaipapegaaien bij elkaar. De parkieten lijken aan te voelen dat ze voorzichtig en rustig met Lawaaipapegaai moeten omgaan. Ze troosten haar en vallen samen met haar opnieuw in slaap.
De dagen erna zijn de groene parkieten telkens in de buurt. Ze houden hun afstand om haar rust te geven, maar ze is welkom wanneer ze wil. Wanneer ze zich daarna weer afzondert, is ze nooit echt alleen. Met toerbeurten komt een andere parkiet bij haar zitten, soms bovenin de struik, soms alleen maar een aai gevend of slapend onder haar vleugel. Ze voelt zich geen moment alleen en ze voelt zich ook niet gestoord. Ze kan bij hen zijn of in de buurt zijn zonder dat ze iets hoeft. De ongedwongenheid doet haar goed.
De glazen fles nam ze mee als ze bij de parkieten wilde zijn en in haar struik hield ze de fles onder haar vleugel. Gaandeweg durfde ze de fles vaker te laten staan en ging ze een stukje het bos in. Deze nieuwe verworven vrijheid voelt voor Lawaaipapegaai als te weinig. Het hindert haar dat ze niet met de parkieten mee kan vliegen en kan badderen. De glazen fles zit haar dwars. Ze zit een paar uur naar de fles te staren als de groep groene parkieten om haar heen komt zitten. Blijkbaar voelen ze aan dat er wat staat te gebeuren. Één parkiet loopt naar de glazen fles en begint de touwen, die de dop op de fles houden, met haar kleine snavel door te kauwen. Lawaaipapegaai houdt de parkiet niet tegen. Ze staat te wachten op het onvermijdelijke moment. Zodra de ene parkiet klaar is, komt een andere naar voren en samen duwen ze de dop van de glazen fles.
Lawaaipapegaai beweegt niet en staart met afgrijzen naar de geopende fles. Het licht uit de fles stijgt op en schiet op Lawaaipapegaai af. Het licht raakt Lawaaipapegaai. Ze wankelt op haar poten. Ze blijft net aan overeind staan. Verdwaasd staat ze daar. Ze kon niet omgaan met de paar emoties die ze ervoer, maar nu stroomt ze volledig over van de heftige emoties. Haar diepste emoties zaten in de glazen fles. Dat was wat ze zo krampachtig vast hield, wat ze koste wat het kost weg wilde stoppen. Ze beschermde niet wat er in de fles zat, maar ze gebruikte al haar energie om haar moeilijkste gevoelens niet te hoeven voelen. Nu voelt ze alle pijn, al het verdriet, de teleurstelling, haar eenzaamheid, de angst. Het is teveel.
Lawaaipapegaai vlucht echter niet. Ze blijft staan en voelt. De parkieten kruipen tegen haar aan. Tot nog toe gaven de parkieten haar een fijn gevoel, maar nu is ze in staat de liefde te voelen die de parkieten voor haar hebben. Ze geeft zich over en leunt tegen de parkieten aan. De gevoelens razen door haar lijf en hoofd. Het razen neemt geleidelijk aan af naar kalm stromen. Alsof het van tevoren afgesproken is, vliegen de parkieten allemaal de lucht in terwijl ze Lawaaipapegaai zachtjes meetrekken. Ze vliegen langs de bomen omhoog en komen boven het bos uit. Met een boog vliegen ze vrijwel synchroon naar de andere kant van het bos. Ze scheren over de toppen van de bomen. Waar het bos over gaat in meerdere vennen, dagen de parkieten elkaar uit om het wateroppervlak aan te raken zonder uit vlucht te raken. Vergeleken met de ranke, groene parkieten, is het een lomp gezicht als de veel grotere Lawaaipapegaai tijdens het vliegen en spelen over het wateroppervlak uit balans raakt en als een grote rode bal veren in het water plonst.
Ze geniet van de simpele vlucht. Zo vrij en geliefd heeft ze zich nog nooit gevoeld. Lawaaipapegaai kan zich niet herinneren wanneer ze voor het laatst dit gevoel heeft gehad. Heeft ze ooit dit gevoel gehad? Ze had nooit gedacht dat ze zich zo goed zou kunnen voelen. In de dagen erna probeert ze dit gevoel vast te houden of terug te vinden, maar het lukt niet. Haar verdriet zit zo dicht onder het oppervlak dat het haar snel weer treft. Dit geeft echter niet. De groene parkieten blijven haar het vertrouwen geven.
In het bos bij Knuffelbeer, Geluksvogel en Goudhaan
‘Wiens idee was dit?’, moppert Knuffelbeer. Hij loopt op zijn 4 stevige poten en houdt het uiteinde van een zak vol met pennen, stiften, potloden en takjes in zijn bek. Onhandig sleept hij de verzameling van Lawaaipapegaai met zich mee.
‘Beunhaas natuurlijk. Je weet waarom Beunhaas wilde dat we die verzameling meenamen. Ik ga het niet steeds herhalen.’ Goudhaan is het net zo zat als Knuffelbeer. Ze zijn al anderhalve week op zoek naar Lawaaipapegaai. Het bos lijkt oneindig. Samen met Geluksvogel zijn ze op pad gegaan. Het zoeken vinden ze niet erg, maar het overnachten buiten zonder de gebruikelijke gemakken van de kermis vinden ze naar. Het gebrek aan goed eten maakt ze alle drie vreselijk chagrijnig. Knuffelbeer vond het meeslepen van die zak in het begin geen enkel probleem, maar de zak lijkt nu wel van lood te zijn.
Het is niet makkelijk om een papegaai op te sporen in een dichtbegroeid bos. Ze hebben haar gezien, maar dat was toen ze in vlucht met een groep groene parkieten over hen heen vloog. Het was een opluchting voor Goudhaan om Lawaaipapegaai te zien vliegen. Haar kleuren leken feller. Ze viel in ieder geval goed op. Het was onmiskenbaar Lawaaipapegaai.
Deze flits van Lawaaipapegaai was het begin van een hoop gespeculeer. Wat als de Fabula’s Lawaaipapegaai niet kunnen helpen, maar de groene parkieten wel? Wat als ze niet meer naar huis wil en bij de groene parkieten wil blijven? Wat als ze op de vlucht slaat voor hun en daarmee ook de groene parkieten achter zich laat? Twijfels over hoe ze Lawaaipapegaai zouden aantreffen en hoe ze haar konden helpen, voeren de boventoon.
Goudhaan ziet Geluksvogel aan komen vliegen. ‘En, heb je water gevonden?’
‘Jazeker! Het is zelfs vlakbij, maar het is niet makkelijk om er te komen. Want we moeten jullie met die dikke konten en die zak door een dichte heg zien te krijgen.’ Geluksvogel leidt ze en met haar geluk weten ze een plek te vinden in de heg die zwakker is. Ze wurmen zich erdoorheen. Het bos houdt hier op. De heg vormt de rand van een park. Weliswaar ook met bomen, maar met meer ruimte voor zandpaden, gazons met struiken en bloemen en een vijver. Een bruggetje over een uitloper van de vijver geeft speels gevoel aan het park. Geluksvogel gaat Knuffelbeer en Goudhaan voor naar een fontein. De fontein is een klassieke schoonheid, waarbij het water van de bovenste schaal overstroomt naar de volgende schaal en van daaruit stroomt naar de onderste grote schaal. De sierlijke decoraties geven de fontein een koninklijke uitstraling, wat helaas teniet wordt gedaan door alle vogelpoep op en rond de fontein.
‘Geluksvogel,’ vraagt Knuffelbeer, ‘weet jij hoe poep van groene parkieten eruit ziet?’ Ze kijken elkaar aan en realiseren zich dat het geluk eindelijk met hun is. Goudhaan springt in de lucht en fladdert van blijdschap met zijn vleugels. ‘We hoeven niks anders te doen dan wachten tot Lawaaipapegaai naar ons toe komt. Wat een geluk!’
‘Dat weet je nog niet.’ Knuffelbeer wil niet teveel op de zaken vooruit lopen, maar ook hij beseft dat dit typisch iets is dat in orde komt met het geluk van Geluksvogel.
En ja hoor, na een nacht slapen is het vroeg in de ochtend zo ver. Een luidruchtige groep met groene parkieten strijkt neer bij de fontein en baddert erop los. Een rode, slanke gestalte valt op in hun midden. Goudhaan slaakt een tevreden zucht. Hij ziet een ontspannen Lawaaipapegaai die er mooier uitziet dan dat hij haar tot nog toe heeft gezien. Als Lawaaipapegaai hun opmerkt, ziet hij onmiddellijk de spanning in haar houding schieten. Goudhaan, Knuffelbeer en Geluksvogel wachten rustig af. Ze hadden afgesproken om niet op haar af te gaan, maar haar naar hen toe te laten komen. Na wat aarzeling vliegt ze van de fontein naar hen toe. Knuffelbeer is al te blij dat hij de zak met stiften kwijt kan, dus hij duwt deze meteen naar haar toe en laat de inhoud zien. Lawaaipapegaai is verrast en blij. ‘Mijn pennen. Wat geweldig. Nu kan ik ze delen met mijn nieuwe vrienden.’ Ze pakt met haar bek wat pennen uit de zak en vliegt ermee terug naar de fontein. Ze laat ze vallen tussen de parkieten. Meteen ontstaat er geruzie en getrek om de paar pennen. Met hun bek of met hun poten pakken ze de pennen vast en verslepen ze. Knuffelbeer en Goudhaan hebben de hele zak meegetrokken naar de fontein en gooien nog meer pennen en stiften in het water en op de grond. Het is één grote, groene vleugelbrij waarbij de stiften in het rond vliegen. Lawaaipapegaai slaakt meerdere overwinningskreten, terwijl ze pennen uit de fontein vist en op grond gooit. Waarna een andere parkiet de pennen oppakt en terug in de fontein gooit.
‘Dit kan nog lang gaan duren,’ zucht Knuffelbeer.
De groene parkieten vliegen met alle pennen en stiften in hun bek en in hun klauwen weg van de fontein. Lawaaipapegaai kijkt ze met een gevoel van ontroering na. Voor de hulp die de groene parkieten haar hebben geboden, de goede zorgen en de rust om te helen, wilde Lawaaipapegaai ze bedanken. Het delen van haar grootste plezier was haar cadeau aan hen. Dit cadeau is met veel liefde en dankbaarheid ontvangen.
Lawaaipapegaai richt zich tot de drie Fabula’s. Haar emoties veranderen. De ontroering wordt dieper, maar ook komt het verdriet naar boven van haar eenzaamheid toen ze er alleen voorstond in haar gevangenschap. ‘Het betekent zoveel voor me dat jullie me dit keer niet hebben laten gaan. Dat jullie me hebben gezocht en dat jullie hier zijn. Ik verwijt jullie niet dat jullie me na mijn ontvoering niet zijn blijven zoeken, maar ik ben wel erg blij dat jullie er nu voor me zijn.’
Knuffelbeer geeft Lawaaipapegaai een knuffel. Hij pakt haar op, drukt haar tegen zijn zachte, warme lijf aan met zijn sterke armen om haar heen. Ze geeft zich over aan de knuffel. Voor even is ze door Knuffelbeers gift in een andere wereld. Door zijn omhelzing worden alle mooie momenten in haar leven naar boven gehaald en samengevoegd tot een bijzonder geluksgevoel.
Ze willen nog zoveel tegen elkaar zeggen, maar Goudhaan stelt meteen de belangrijkste vraag: ‘Ga je mee naar huis?’
Stralend antwoordt Lawaaipapegaai: ‘Ja, ik ga mee naar huis.’
De terugweg gaat een stuk sneller tot ieders opluchting en vooral die van Lawaaipapegaai. Ze hoeft niet nog meer te horen over dat idee van belastingheffing van Goudhaan. Hij kan er niet over ophouden om uit te leggen wat zijn plan inhoudt en vertellen wat het de kring op gaat leveren om dit te doen. Lawaaipapegaai snapt dat hij haar stem nodig heeft en dat hij haar niet met rust gaat laten, totdat ze een stem heeft uitgebracht.
Lawaaipapegaai vliegt delen van de terugweg samen met Geluksvogel. Ze maken duikvluchten om Knuffelbeer en Goudhaan te verrassen. Het zelfvertrouwen van Lawaaipapegaai groeit zienderogen en ook haar vermogen om hen te vertrouwen. Ze is niet meer de luidruchtige aanwezigheid. Ze verdringt haar ongemak niet langer door heel druk te zijn. Haar intelligentie en speelsheid voeren de boventoon. Bij haar vluchten zie je haar genieten van haar vrijheid. Op het moment dat ze bij de kermis aankomen, komt alles voor Lawaaipapegaai samen. Ze is thuisgekomen bij haar familie. Ze kan haar moeilijke verleden achter haar laten na de helende periode bij de groene parkieten. Er valt een last van Lawaaipapegaai af. Ze stijgt op en vliegt in al haar nieuwe verworven kracht en pracht over de kermis. Bij House of Terror ziet ze Suikerspin naar haar opkijken en enthousiast zwaaien. Hooligans en Geldwolf staan bij de oliebollenkraam. Hooligans wijst naar Lawaaipapegaai, zodat Geldwolf haar ook ziet. Stropdas, Schildersezel, Vergadertijger, de Badeendjes. Ze ziet ze allemaal tevoorschijn komen en naar haar kijken en zwaaien. Met haar vleugels wijd vliegt ze. De felle kleuren van het geel op haar buik, het blauw op haar vleugels, het groen op haar lange en wijd uitlopende verenstaart en het rood op haar rug en kop maken haar een exotische verschijning. De sierlijkheid waarmee ze over de verschillende delen van de kermis vliegt is prachtig. Haar gebruikelijke rauwe kreten uit ze niet. Ze zingt. Ze zingt met een heldere, warme stem. Vloeiend schakelt ze tussen hoge en lage tonen. Elke Fabula, mens of dier op de kermis hoort haar lied. Iedereen vergeet wat hij aan het doen is en kijkt naar de papegaai die haar lied zingt. Een lied over haar zoektocht die begon met wanhoop. Zonder uitzicht op een goede uitkomst. Een zoektocht die op onverwachte manier vertrouwen en liefde bracht. Zangpapegaai raakt eenieder met haar lied in zijn ziel.
Op de kermis bij de Fabula’s
De terugkomst van Lawaaipapegaai en geboorte van Zangpapegaai wordt warm verwelkomt door de Fabula’s. De kring heeft zich om Zangpapegaai verzameld aan de rand van de kermis achter het busje. De sfeer is uitgelaten en lijkt om te slaan in een feeststemming. Goudhaan voelt dit ook aan en grijpt in. ‘Ho, ho. Natuurlijk zijn we allemaal blij dat Zangpapegaai terug is en in goede gezondheid is, maar er is nog een formaliteit af te handelen.’ Niet alleen Zangpapegaai zucht geïrriteerd, de rest van de Fabula’s slaken ook uitingen van irritatie en onvrede.
Zangpapegaai besluit snel op te treden, zodat ze het maar achter de rug hebben. Ze vliegt naar de zijspiegel van het busje. Vanaf die plek spreekt ze de Fabula’s toe. ‘Ik heb besloten om mijn stem niet te geven voor het plan van Goudhaan. Niet voor en niet tegen. Ik wil een nieuw plan indienen. De belastingheffing van Goudhaan zal elke Fabula dwingen om een verplichte bijdrage te leveren en die bijdrage moet van een bepaalde hoogte zijn. Deze gedwongenheid pas niet bij onze gemeenschap. Bovendien is de bijdrage niet nodig, aangezien het ingezet gaat worden om extra luxe in de gemeenschap te brengen. Voor diegene die het zich niet kunnen veroorloven, zou deze bijdrage een grote verplichting betekenen. Ik stel voor dat er geen verplichte afdracht is, maar een afdracht naar eigen inzicht. Draag je meer bij, dan heb je meer rechten op de gemeenschappelijke voorzieningen. Draag je minder bij, dan heb je minder rechten. Op deze manier behouden we onze vrijheid en kan ieder voor zich beslissen wat je wilt. Dat is mijn voorstel.’ Ze kijkt Vergadertijger aan en ziet dat hij alles wat ze heeft gezegd, heeft genoteerd. Uit de kring klinken instemmende geluiden en wordt er naar Goudhaan gekeken wat hij van dit voorstel vindt. Goudhaan kijkt teleurgesteld. Hij zegt verder niets. Hij weet dat er nu meer tijd overheen zal gaan om de kring opnieuw te laten stemmen over zijn plan en over het nieuwe plan van Zangpapegaai. Goudhaan glimlacht als een boer met kiespijn naar Zangpapegaai. ‘Bedankt voor dit nieuwe voorstel. Nu ga ik jullie niet langer ophouden. Nu is het feest.’ Zangpapegaai zet in met haar lied.
In het bos bij Zangpapegaai
Regelmatig gaat Zangpapegaai erop uit en brengt ze wat tijd door bij de groene parkieten. Elke keer dat ze terug komt, wordt ze hartelijk begroet. De groene parkieten beschouwen de pennen als hun schatten en zijn er zuinig op. Ze spelen ermee en bergen ze op als ze uitgespeeld zijn. Hun blijdschap is oprecht als Zangpapegaai nieuwe pennen of stiften meeneemt.
Na het delen van haar plezier wilden de parkieten hun pleziertje met haar delen. De eerste keer dat ze bij hen op bezoek kwam, namen ze haar mee. Ze vlogen het bos uit naar een stuk autoweg. In een boom vlak naast de autoweg zaten ze op de takken en keken naar het verkeer dat voorbij kwam. Een rode Hyundai passeerde, van de andere kant een donkerblauwe Passat. Zangpapegaai begreep niet waar ze naar aan het kijken was. Totdat er consternatie onder de parkieten ontstond. Ze zagen een vrachtwagen aankomen. De vrachtwagen kwam snel naderbij en de parkieten vlogen naar de weg. Precies toen de vrachtwagen onder hen doorreed, lieten de parkieten zich op de randen van de vrachtwagen vallen. Ze pakten de plastic afdekking vast met aan de rand ringen waar touw doorheen gespannen was. De parkieten pakten elk een ring vast. Zangpapegaai volgde hun voorbeeld en zat op de rand van het dak. Ze klauwde zich goed vast om bij deze snelheid op de vrachtwagen te blijven zitten. De snelheid van de vrachtwagen was opwindend. Het gaf haar het gevoel dat ze leeft. Zangpapegaai zag de bomen langs de weg voorbij flitsen. Het tegemoetkomende verkeer was een waas. Ze ging schuin aan de rand van het dak hangen en spreidde haar vleugels om de wind te voelen. Ze genoot van de vaart en zag dat alle parkieten ervan genoten. Hun groene veren wapperend in de wind. Autosurfen was vanaf dat moment haar favoriete bezigheid. Gelukkig maar voor de Fabula’s dat het zingen van haar lied dat niet was. Zoals Beunhaas het treffend zei: ‘Kent ze geen ander lied?’
Einde
© Copyright 2023 Sugarspider – Nadine Vestering

