Suikerspin locatie onbekend
“Wacht even…zal ik naar links of naar rechts gaan?” Suikerspin kijkt om zich heen en ziet geen enkel herkenningspunt. Het is mistig. Hij ziet vrijwel geen van zijn acht poten voor ogen. Niet wetende welke kant hij moet kiezen, stapt hij voorzichtig de nevels in.
Na een tijd gelopen te hebben, verbetert zijn situatie niet. Er zijn geen paden of wegen, geen lichten, geen gebouwen, geen bomen, geen kamers of deuren. Hij begint zich af te vragen waar hij is en beseft dat dit verre van normaal is. “Is dit een droom? Of ben ik dood en is dit hoe mijn ziel zijn weg vindt naar het hiernamaals? Wat het hiernamaals ook moge zijn.” Suikerspin loopt verder. De mist omsluit hem continu. Al zouden er herkenningspunten zijn, hij kan het niet zien door de mist. De onzekerheid van Suikerspin over deze rare omgeving slaat om in angst. “Wat is dit? Hoe ben ik hier beland en hoe kom ik hier weer weg?” Nog net niet in paniek blijft hij doorlopen. Het liefste wil hij rennen, haast maken om hier weg te komen. Tegelijkertijd durft hij niet te snel te gaan in deze onbekende omgeving. Hij loopt voorzichtig verder.
Er verandert iets. In zijn zicht verandert niets en ook niet in zijn tast of geur, maar Suikerspin voelt iets. Het is weer weg, voordat hij het door heeft. Hij staat stil om de gewaarwording goed te kunnen duiden. Het was een gevoel van verwarring. Hij zet een paar stappen achteruit en voelt hetzelfde als net. Nu herkent hij het. Het was de verwarring die hij heeft ervaren bij het begrijpen wat het is om een suikerspin te zijn. Hij bevestigt het hardop tegen zichzelf: “Ja, dat is het, het gevoel van verwarring over wie ik ben.”
Suikerspin is anders dan alle andere spinnen op de wereld. Hij is knalroze van kleur en zijn vacht glinstert. Zo bijzonder. Niet alleen zijn uiterlijk is afwijkend van andere spinnen, maar ook zijn manier van voeden. Hij hoeft zich niet als andere spinnen te voeden met insecten en vliegen. Hij gruwt van hun manieren. Om te leren wat het is om een spin te zijn heeft hij eens aan zijn buurman, een zwarte dikke kruisspin, gevraagd om hem te leren jagen. De buurman heeft het hem tot in detail uitgelegd en laten zien. Inclusief het plezier dat hij eraan beleefde om vliegen te vangen in zijn web, ze doodsangsten te laten uitstaan, ze langzaamaan te verlammen en terwijl ze nog in leven zijn ledemaat voor ledemaat af te rukken en op te eten. Want, ja, volgens de buurman zijn vliegen en insecten levend het lekkerst. Het vliegenpus vloog in het rond en de ledematen kraakten tussen de kaken van de zwarte kruisspin. Deze beelden en geluiden zal Suikerspin nooit meer vergeten. Hij is zo blij dat hij niet hoeft te jagen en andere dieren pijn hoeft te doen. Zijn eigen suikerwebben die hij weeft, dienen als zijn voedsel. Suikerspin had wat moeite om te begrijpen wat hij is, maar inmiddels vindt hij het heerlijk om niet een zwarte spin te zijn. Hij is niet gewoon, maar bijzonder.
Wat het gevoel van verwarring van identiteit in deze verwarrende omgeving te betekenen heeft, weet hij nog niet. Hij denkt dat het een aanknopingspunt is. Met iets meer moed dan zojuist, vervolgt hij zijn zoektocht.

Fabula’s op de kermis
Suikerspin ziet er net zo uit als altijd. Roze, glinsterend en op zijn speciale pootbeschermers. Stropdas begrijpt niets van de pootbeschermers, maar Suikerspin zweert erbij. Het is Suikerspin een paar keer overkomen dat hij in een hoopje snot van Snotaap is getrippeld. Hij bleef zo erg plakken dat hij er niet meer uit kon komen. Na urenlang wachten werd hij gered. Om niet meer vast te komen zitten in snothopen, heeft hij een oplossing gevonden, afgekeken van de mensen. Zij dragen allemaal bescherming aan hun poten. Dat zal wel vanwege hun kaalheid zijn. Het idee intrigeerde hem, dus was hij op zoek gegaan naar dezelfde soort pootbeschermers. Hij heeft lang gezocht en vond uiteindelijk pootbeschermers in zijn maat. Ze zijn van plastic en in allerlei soorten en maten: een rode en een blauwe sneaker, een zwarte voetbalschoen met noppen, een roze pump, een oranje nette schoen, een geel slippertje en twee bruine paardrijlaarzen. Suikerspin had ze gevonden bij wat plastic namaakmensen in klein formaat, allen met blond haar. Aangezien deze barbies, zoals ze worden genoemd, ze niet nodig hadden, had hij die dingen meegenomen. De pootbeschermers bleken een schot in de roos. Het loopt niet altijd lekker, maar als hij nu vast komt te zitten kan hij zichzelf bevrijden. Hij spant dan een suikerdraad naar een vaste plek en lanceert zichzelf uit de pootbeschermers naar een stuk grond zonder snot.
‘Hij staat al een groot deel van de dag zo stil, hij knippert zelfs niet met zijn ogen.’ Vertelt Stoeipoes aan Stropdas. ‘Merkwaardig’, mompelt Stropdas. Ze staan naast elkaar en proberen te bevatten wat er aan de hand is met Suikerspin die veel weg heeft van een standbeeld en nergens op reageert. Suikerspin lijkt hen niet te horen en niet te zien. Hij geeft geen enkel teken van leven, behalve dat hij stevig overeind staat op zijn acht poten en adem haalt.
Stoeipoes woont tegenover Suikerspin. Zij woont in de snoepkraam en Suikerspin woont in House of Terror aan de overkant. De bijnaam van Stoeipoes zou je kunnen relateren aan haar karakter en haar turbulente verleden, maar niets is minder waar. ‘Snoepje’ refereert aan haar woning. ’s Morgens had ze Suikerspin zien staan onder House of Terror op de route naar de gezamenlijke plek. Een uur later had ze weer gekeken en stond hij er nog. Ze begon zich zorgen te maken, maar ze vond het nog niet alarmerend genoeg om te gaan kijken. Toen ze net voor de lunch klaar was met het schoonmaken van haar varkensstal van een huis en Suikerspin nog steeds op dezelfde plek stond, was ze gaan kijken.
Stropdas komt niet zo vaak zijn woning uit. Hij is nogal op zichzelf. Vandaag had hij echter goede reden om een bezoekje te brengen aan de gezamenlijke plek. Er zijn nieuwe stoffen aangekomen. Dit is één van de hoogtepunten voor Stropdassen. Als hij nieuwe stoffen binnen krijgt om zijn stroppen te maken. Stropdas maakt de mooiste stroppen van prachtige stoffen, kleuren en prints. Deze stroppen maakt hij niet voor zichzelf. Hij biedt ze aan de andere Fabula’s aan. Het is de stellige overtuiging van Stropdas dat het leven niet eenvoudig is en over het algemeen levert de moeite die je doet je niet meer dan een mager zesje op. Natuurlijk zijn er enkele momenten waarin het leven fantastisch is, dit ontkent Stropdas niet, maar het weegt niet op tegen alle sleur en mindere momenten. Stropdas geeft hoop op een makkelijke uitweg van het leven door stroppen aan te bieden. Het handigst is volgens Stropdas om zo’n strop de hele dag te dragen, dan kun je wanneer het je teveel wordt, er meteen een einde aan maken. Zo zijn een paar Fabula’s aan hun einde gekomen.
Op weg naar de gezamenlijke plek had Stropdas Stoeipoes zien staan. Suikerspin en Stoeipoes trokken de aandacht op de stille kermis. Ze stonden onder de rand van de House of Terror wagen. Stoeipoes liep onderzoekend om Suikerspin heen. Stropdas vond het opmerkelijk genoeg om te informeren of er iets aan de hand was. En dat is er, er is iets aan de hand met Suikerspin. Maar wat precies?
Fietspad komt met een grote sprong tot stilstand voor Suikerspin. ‘Heeeyyyy, wat is er aan de hand?’
Stoeipoes legt wederom uit dat Suikerspin sinds de ochtend zo stil staat en zelfs niet met zijn ogen knippert. ‘Weet je dat zeker?’ vraagt Fietspad.
‘Wat?’
‘Dat Suikerspin zelfs niet met zijn ogen knippert?’
Enigszins geïrriteerd over de vraag, rolt Stoeipoes met haar ogen en antwoordt ‘Ja, dat weet ik zeker.’
Fietspad laat het niet los en vraagt door: ‘Zou het niet kunnen zijn dat net als jij met je ogen knippert, Suikerspin ook met zijn ogen knippert?’
Moedeloos haalt Stoeipoes de bevallige schouders van haar voorpoten op en haalt snuivend adem om haar geduld te bewaren. Ze kan het niet laten om te snauwen: ‘Ik weet zeker dat Suikerspin niet geknipperd heeft met zijn ogen.’

Suikerspin locatie onbekend
Suikerspin dwaalt door de mist die minder dik lijkt te worden. Het licht verandert van dof naar wat lichter en helderder. Opeens schrikt hij op van een lichtflits en wordt hij overspoelt met een herinnering en gedachtes door elkaar heen. De herinnering speelt zich voor hem af als een film. Een film over al die plekken die hij bekeken heeft om te zien of hij daar wilde gaan wonen. Geldwolf had wat plekken beschikbaar, zoals dat plekje in het bedieningshok van de Wild Mouse, naast de koelkast in het frietkot of onder de trap van het Lunapark. Al deze plekken vond hij verschrikkelijk om te wonen: lawaaiig, veel stank en veel te veel wind om zijn webben te kunnen weven. En wat een belachelijke huur vroeg Geldwolf voor deze plekken. Goudhaan bleek veel redelijker te zijn. Hij vroeg een reëlere huur voor prima plekken. Zo was hij uitgekomen op een rustige plek met wat gunstige tochtstromen in het Terror House, het spookhuis van de kermis. Daar woont hij al enige jaren met veel plezier.
Naast de film ervoer hij ook meerdere gedachtes. De gedachte die hij altijd heeft als hij een mensenjong ziet: ‘Uitkijken voor dat luidruchtige, vernielende monster.’ En de gedachte bij de zeldzame gelegenheid dat de poffertjesfoodtruck op de kermis staat ‘Och, wat heb ik daar zin in.’
Zo dwaalt hij verder. Suikerspin wordt tijdens het dwalen regelmatig overvallen door inkijkjes in zijn leven: herinneringen, gevoelens, gedachtes, smaken, geuren, beelden, geluiden, meningen, van alles. Op sommige plekken ervaart hij een drukkende pijn. Die drukkende pijn kan hij niet plaatsen. “Is het een onderdeel van zijn leven? Heeft het te maken met ziekte of een ongeluk?” Hij kan het zich niet herinneren. Er is tot nog toe geen verband tussen de pijn en de rest van wat hij is tegengekomen. Hij vindt het zo vervelend. Soms voelt het als een knoop in zijn maag, soms als een brok in zijn keel. Wat het ook is, als het hem grijpt is het zo overheersend en naar dat hij snel verder loopt.

Fabula’s op de kermis
Na Fietspad voegen meer Fabula’s zich bij het groepje. De een na de ander begrijpt bij het zien van het groepje vlakbij de ingang van de gezamenlijke plek, dat er wat aan de hand is. Zo voegen Snotaap, Goudhaan, Proefkonijn, Stokpaardje, Vergadertijger en Kloothommel zich bij het groepje en bieden hun hulp aan. De enige die geen interesse toont, is Geldwolf. Hij loopt zonder om te kijken door. Als er geld te verdienen was geweest, dan was hij er als de kippen bij geweest.
Stropdas en Stoeipoes krijgen de meest uiteenlopend vragen op zich afgevuurd.
‘Hoe lang staat Suikerspin hier al?’
‘Reageert hij ook niet als je schreeuwt? Misschien hoort hij het niet als je gewoon praat.’
‘Wanneer heeft Suikerspin voor het laatst gegeten?’
‘Wanneer heeft Suikerspin voor het laatst gedronken?’
‘En wat gebeurt er als je hem duwt? Valt hij dan om?’
‘Wat is het laatste wat Suikerspin heeft gezegd?’
‘Wat heeft Suikerspin als laatste gegeten?’
‘Wie heeft Suikerspin als laatste gezien, voordat hij in een standbeeld veranderde?’
‘Hoe was Suikerspin bij die laatste ontmoeting?’
‘Is hij wel eens eerder in een standbeeld veranderd?’
‘Zou ie niet naar de wc moeten?’
Stropdas en Stoeipoes kunnen helemaal niets met deze vragen, totdat er een goede vraag wordt gesteld door Stokpaardje: ‘Wie van ons heeft Suikerspin de afgelopen dagen gesproken en hoe was dat?’
Eindelijk een vraag waar ze allemaal wat mee kunnen. Door elkaar pratend pogen ze tegelijkertijd antwoord te geven. Het is een kakofonie van antwoorden. Op de een of andere manier weet Stokpaardje iets op te pikken wat belangrijk is. Hij richt ieders aandacht op Kloothommel. ‘Kun je dat nog een keer vertellen? Zodat iedereen het kan horen.’
Kloothommel vertelt op haar schreeuwende, schelle toon: ‘Ik heb Suikerspin vannacht nog gezien. Ik was ff bij hem langs gegoan om suikers op te hoalen. Heb ik nodig, heel hard nodig. Dus joa, kon niet anders. Weet wel dat ie vorige week boos werd, toen ik ook ’s nachts langs kwam, maar het moest gewoon. Lag ie nu ook weer te sloapen. Dus ik boven zijn hoofd vliegen en heel hard brommen. Maar hij werd niet wakker. Bij schudden werd íe ook niet wakker. Doas raar. Ben wat gaan snuffelen en vond een flesje Black Beauty waar je de hele nacht mee out bent. Heeft ie waarschijnlijk genomen. Zou dat het zijn? Werkt dat middel nog of is het een bijwerking ofzo?’
De Fabula’s kennen Kloothommel langer dan vandaag en weten dat het geen zin heeft om uit te leggen dat het een rotactie was van Kloothommel. Met het verhaal van een slapende Suikerspin kunnen ze niet zoveel. Dat Suikerspin out was voor de nacht, is normaal. Ze gebruiken allemaal met regelmaat Black Beauty als slaapmiddel. Hoe wil je anders slapen op een kermis? Wat er aan de hand is met Suikerspin, ze komen niet verder. Vergadertijger pakt doortastend de leiding en grijpt terug op de procedures: ‘Laten we Politiemol erbij halen. Hij hoort hiervan te weten en hij weet vast wat we moeten doen.’

Suikerspin locatie onbekend
Suikerspin is moe aan het worden. Hij dwaalt rond en beleeft van alles over zijn leven opnieuw. Het gaat van de hak op de tak. De ene herinnering gaat terug naar hoe hij als kind was en het andere is een mening die hij een poosje terug heeft uitgesproken. Alles door elkaar. De leuke en de minder leuke dingen. Maar vooral is het vermoeiend wanneer hij op die drukkende pijn stuit. Hij besluit om even rust te houden op een plek waar niet zoveel gebeurt.
Terwijl hij rustig staat bij te komen, laat hij alles wat hij heeft ervaren de revue passeren. Hij probeert te begrijpen wat er aan de hand is. Er zijn beelden en gevoelens die hij nog een keer tegen kwam. Hij dacht dat hij op een plek kwam waar hij al een keer was geweest, maar zeker weten doet hij dat niet. Hij heeft nog geen enkel richtingsgevoel ontwikkeld in deze omgeving. Je zou denken dat je op zo’n plek meerdere momenten herbeleeft die je eerder bent tegengekomen. Maar het bleef elke keer bij 1 of 2 momenten die hetzelfde waren en de rest weer nieuw. Iets anders viel hem wel op. Dat hij meer oudere momenten is tegen gekomen dan recente momenten. Wat dit betekent, kan Suikerspin niet zeggen.
Suikerspin ziet maar één mogelijkheid om zijn weg hier uit te vinden en dat is door blijven lopen en zoeken naar een uitgang. Hij haalt diep adem, gaat stevig op zijn acht poten staan en begint met hernieuwde krachten te lopen. Binnen een paar stappen loopt hij een prachtig gevoel binnen. Het gevoel van zijn eerste verliefdheid. Och, wat was hij hoteldebotel van haar. Hij vond haar geweldig met haar schitterende rode vacht met lichte en donkere strepen. Haar donkere bontstaart. En die ogen. Die intense, groene ogen waarmee ze je aan kon staren en het gevoel kon geven dat je alleen met haar op de wereld was. Ja, Suikerspin, kan alleen maar toegeven dat hij net als elke man, zijn eerste verliefdheid had op Stoeipoes. Pas later zag hij in dat haar sierlijkheid ordinair was en haar intense blik bij alle mannen hetzelfde uitdagende effect had. Zijn verliefdheid was snel voorbij toen hij merkte dat Stoeipoes niet alleen oog had voor hem, maar voor veel mannen tegelijkertijd.

Fabula’s op de kermis
Vrij snel arriveert Politiemol ter plekke. Hij heeft zijn koffer met opsporingsmethoden meegenomen. Het is lang geleden dat er een gelegenheid was om de koffer te gebruiken. Stokpaardje heeft Politiemol in de tussentijd bijgepraat. Politiemol stelt de aanwezigen gerust. ‘Ik kan met mijn kennis en vaardigheden de informatie vinden die we nodig hebben om Suikerspin uit deze nare toestand te halen. Geef me de ruimte om mijn onderzoek te doen en dan zullen we snel genoeg meer weten.’
Proefkonijn is uiterst geboeid door het optreden van Politiemol en de koffer die hij bij zich heeft. Hij vindt het leuk nieuwe snufjes te ontdekken. Proefkonijn vraagt aan Politiemol: ‘Welke moderne apparatuur en opsporingstechnieken ga je inzetten? GPS tracker? Camerabeelden met gezichtsherkenning? Doorzoeken van databanken?’ Politiemol heeft geen flauw idee waar Proefkonijn het over heeft. Hij zet zijn koffer neer, klikt de sluitingen open en pakt eruit wat hij nodig heeft voor het eerste deel van zijn onderzoek.
Politiemol gebaart naar de Fabula’s om ruimte te maken. Terwijl zij wat naar achteren gaan, legt Politiemol kaarten neer op de grond. Deze kaarten zijn in vergelijking met verschillende Fabula’s groot. Zo ook ten opzichte van Suikerspin. Goudhaan grijpt in als Politiemol een kaart op Suikerspin wil leggen. Met zijn slechte zicht had Politiemol niet gezien dat Suikerspin daar staat. Zodra zijn transcendentiekaarten liggen, bestudeert Politiemol het patroon. Hij laat een aantal keer een bevestigend gehum horen, maar geeft verder geen blijk wat hij uit de transcendentiekaarten kaarten opmaakt. Proefkonijn kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vraagt: ‘Wat doe je en wat zie je?’ Politiemol legt uit dat de transcendentiekaarten de verbinding met het ogenblik bewerkstelligen. De transcendentiekaarten kunnen door deze verbinding antwoorden geven om het ogenblik toe te lichten. Proefkonijn is tevreden met het antwoord, ook al begrijpt hij er niet zoveel van.
De transcendentiekaarten worden weggeborgen en Politiemol haalt een grote kom, een paar flesje en potjes uit zijn koffer. Hij leegt diverse flesjes in de kom, gooit er nog wat kruiden bij uit de potjes en vrij snel begint het brouwsel te roken. Wederom bestudeert Politiemol het patroon in het brouwsel. Door zijn concentratie heeft hij niet door dat Goudhaan, Vergadertijger en Stokpaardje de koppen bij elkaar steken. Goudhaan sneert naar Vergadertijger: ‘Goed idee van je om die idiote kwakzalver erbij te halen! Je weet toch dat ‘ie dit helemaal niet kan. Hij is goed met de openbare orde handhaven, maar niet met onderzoek doen.’ Vergadertijger kijkt op van de papieren die hij aan het bestuderen was en verontschuldigt zich: ‘Ik was het vergeten. Wij kwamen met elkaar geen steek verder, dus ja, met dit bijzondere geval had ik de hoop dat Politiemol met zijn uitzonderlijke methoden wat zou kunnen.’ Stokpaardje reageert: ‘Dat is niet zo’n rare gedachte. Politiemol is één van de weinige Fabula’s die gelooft in de magische giften van de Fabula’s. Wie weet is de situatie van Suikerspin wel aan magie gerelateerd. Ik durf het niet te zeggen. Ik kan er niets van maken. Laten we het nog even aankijken.’ Goudhaan kan het niet langer aanzien en loopt weg van de groep om iets verderop ongeduldig heen en weer te lopen.
Uit zichzelf licht Politiemol toe dat de ketel van verlichting een voorspellende, profetische kracht is. Met deze kracht kan Politiemol verschillende versies van de toekomst zien. Met de informatie over het ogenblik en over de toekomst, heef Politiemol nog enkel informatie nodig over het verleden. Hij vraagt Kloothommel om naar voren te komen. ‘Kloothommel, ik wil je onder hypnose brengen. Het is vrij simpel. Ik breng je in een ontspannen, diepe slaap, zodat je je kunt focussen op je innerlijk. Jij bent volledig eigenaar van jouw eigen gedachten en gevoelens. Wat je niet wilt, zal ook niet gebeuren. In deze staat kan ik jou vragen stellen en aan de hand van die vragen kun jij dieper in jezelf de antwoorden vinden die we nodig hebben.’ Kloothommel begrijpt het niet. ‘Je kunt me ook zo wel alle vraogen stellen die je wilt. Ik geef echt wel goed antwoord. Dat hypnoaze is niet nodig. Ik ben eerlijk.’ Hoe uitzonderlijk dit ook is dat Kloothommel eerlijk op de vragen van Politiemol wil reageren, Politiemol legt Kloothommel nogmaals uit dat het van belang is dieper haar onderbewustzijn in te gaan om op de diepst mogelijk laag in haar te zoeken naar informatie.’ Kloothommel is door deze tweede uitleg verontrust geraakt en weet niet goed wat ze moet verwachten als Politiemol ten overstaan van anderen in haar allerdiepste lagen gaat zoeken. Ze aarzelt even, maar besluit om mee te werken. Politiemol brengt Kloothommel onder hypnose en stelt de vragen aangaande het bezoekje van Kloothommel ’s nachts aan Suikerspin.
Snotaap deelt Proefkonijns enthousiasme voor dit onderzoek en staat gebiologeerd toe te kijken. Hij tikt Proefkonijn aan en vraagt: ‘Kun jij Politiemol even afleiden?’ Proefkonijn is Snotaap gelijk ter wille en vangt Politiemols aandacht om nog wat vragen op hem af te vuren. Snotaap snuit nog even snel zijn neus in een oude zakdoek die hij bij zich heeft en gaat uit het zicht van Politiemol voor Kloothommel staan. ‘Kloothommel, dit is Snotaap. Ik wil jou een speciale opdracht geven.’ Kloothommel heeft haar ogen gesloten en stemt in. Snotaap gaat verder: ‘Elke keer als jij je vriend Hooligans ziet, dan zoen je hem vol op de mond met jouw volledig uitrolbare tong. Dat je hem een goede pakkerd geeft. Zo goed als ‘ie nog nooit heeft gehad. En…’ Voordat Snotaap verder kan gaan met nog een opdracht geven, trekt Goudhaan hem weg en geeft hem een draai om zijn oren. Politiemol heeft niets gemerkt en rond de hypnose af door Kloothommel uit de ontspannen slaap te halen.
Na de hypnose ruimt Politiemol zijn spullen op. Met zijn koffer dichtgeklapt naast hem, schraapt hij zijn keel en vraagt de aandacht van de Fabula’s. ‘Ik heb gezien wat er aan de hand is. Suikerspin heeft pijn en hij is verdwaald. Door de pijn kan hij de weg terug niet vinden.’ De Fabula’s kijken naar Suikerspin en snappen niet wat Politiemol zegt. Hoezo verdwaald? Hij staat daar toch?
Het blijft een hele poos stil. De Fabula’s staan om Suikerspin heen en denken na. Ze zijn ontmoedigd. Ze weten niet wat voor pijn Suikerspin heeft en hoe ze die kunnen wegnemen. Nu hebben ze een aanknopingspunt gevonden, maar een oplossing is nog net zo ver weg als toen ze Suikerspin vonden.
Suikerspin locatie onbekend
Suikerspin staat er bleekjes bij. De gewoonlijke schittering van zijn roze, glinsterende vacht is er niet meer. Hij is moe en wil hier weg. Voor zijn gevoel heeft hij verschrikkelijk veel rondjes gelopen en is hij alles al meerdere keren gepasseerd. Dat weet hij wel zeker, want hij heeft de meeste herinneringen en gevoelens zeker 2 keer ervaren. Eindelijk heeft hij een patroon kunnen vinden. Aan de buitenkant zitten zijn oudere momenten en richting de binnenkant de jongere momenten. De dikkere nevels zitten ook aan de binnenkant en daar stuit hij elke keer op dat drukkende, pijnlijke gevoel. Hij vermoedt dat het centrum gevormd wordt door die hele dikke mist en dat pijnlijke gevoel. Als hij daarin loopt, dan keert hij snel weer om vanwege de hevige pijn.
Hij heeft de afgelopen uren op zijn leven teruggekeken. Het gekke is dat hij de hoogtepunten mist. De afsluiting van school, zijn eerste werkdag, zijn verjaardagen. Hij ziet vooral veel momenten dat hij alleen thuis is of de verplichte familiebezoekjes. Is dit het nou? Is dit zijn leven? Het voelt zo saai.
Hij geeft het op. Hij rolt zich op in een klein bolletje en ligt daar maar.

Fabula’s op de kermis
‘Was Rioolrat er maar. Hij zou wel weten wat voor pijn Suikerspin heeft en hoe we die kunnen wegnemen.’ verzucht Fietspad. Alle Fabula’s keren zich, als door een wesp gestoken, om naar Fietspad.
‘Dat is het!’ roept Stropdas. ‘Suikerspin is sinds de dood van zijn beste vriend uit zijn doen. Hij heeft pijn en verdriet om Rioolrat. En deze toestand zal daar wel mee te maken hebben.’ Stoeipoes valt hem bij: ‘Dat is logisch, dat kan zo’n heftige reactie veroorzaken.’ De andere Fabula’s knikken geestdriftig met hun hoofd en mompelen instemmend.
Snotaap beaamt: ‘We missen Rioolrat allemaal, maar voor Suikerspin zal het extra moeilijk zijn. Het is nog niet zo lang geleden. Het leven gaat door en we vergeten om er regelmatig bij stil te staan, om er aandacht aan te besteden. Zou dat de pijn zijn waar hij aan lijd?’ Hardop vraagt Snotaap zich af, ‘Hoe kunnen we de pijn dan wegnemen? Rioolrat helemaal vergeten, gaat niet.’ De Fabula’s staan om Snotaap heen en knikken instemmend. Vergeten kan niet. ‘Rioolrat terughalen uit de dood, gaat ook al niet.’ Snotaap staat even op beide poten heen en weer te wiegen, krabt zich op zijn kop en zijn staart zwiept meerdere kanten op. Hij denkt hard na. ‘Het enige dat overblijft, is om Suikerspin te troosten. We kunnen proberen of we de pijn van het verlies van Rioolrat samen kunnen dragen.’
Na wat overleg besluiten ze om herinneringen op te halen over Rioolrat. Bij elke herinnering houden ze in de gaten of Suikerspin op iets in het verhaal reageert. Mogelijk kunnen ze daar iets uit op maken. Ze spreken af dat ieder een herinnering of verhaal deelt. Stokpaardje raadt ze aan om niet alleen het verhaal te vertellen, maar om er ook de zintuigen bij te betrekken. Het verhaal uitdrukken in geluid, smaak, geur of beeld helpt om het verhaal intenser te beleven. Volgens Stokpaardje is geur de meest krachtige prikkel.
Suikerspin locatie onbekend
Suikerspin ligt al een hele tijd opgerold. Hij beseft dat hij er zo niet uit komt. Volledig gevangen in zijn gedachten, piekert hij aan één stuk door. Piekeren over het verdwaald zijn, over de vreemde omgeving, over zijn leven, over het opgeven van het vinden van een uitgang, over dat hij een slappeling is, dat hij zichzelf niet kan redden, over dat het altijd tegen zit, over dat het hem niet lukt om er alleen uit te komen. Over van alles. Een maalstroom van gedachten. Negatieve gedachten. Hij wordt gek van zichzelf. “Slappeling, zo heeft het allemaal geen zin.”
In de maalstroom van gedachten komt er maar één mogelijkheid naar voren. Elk rondje in zijn gedachten opnieuw die enige, laatste mogelijkheid. Hij is overal al geweest, behalve één richting. Het is het enige wat hij kan doen. Hoe moeilijk het ook is. Hij besluit om de dikke nevels in te lopen, de pijn in te lopen, zover mogelijk en zo lang mogelijk doorlopen. Door de pijn heen. Hopelijk vindt hij daar de uitweg.
Suikerspin staat moeizaam op. Hij staat even stil en wacht totdat alle kracht die hij over heeft goed verdeeld is over zijn acht poten, lijf en kop. Dan begint hij te trippelen.

Fabula’s op de kermis
Het is laat in de middag als de Fabula’s zich verzamelen rondom Suikerspin. De kermis is geopend en op gang gekomen. Er wandelen bezoekers tussen de kermisattracties. Het zijn met name mensen met hun gebroed die de kermis op dit tijdstip bezoeken. Fabula’s hebben geen last van hen. Onder de wagen van Terror House is genoeg ruimte om hun in der haast voorbereide ceremonie te houden. De geluiden van de kermis geven het gevoel van reuring, het gevoel dat er iets staat te gebeuren. Dat is opbeurend in tegenstelling tot het stille silhouet van Suikerspin.
De situatie met Suikerspin heeft zich als een lopend vuur verspreid onder de Fabula’s en meer en meer dieren sluiten zich aan bij de groep voor de herdenking van Rioolrat. Het is een bont gezelschap. Ze variëren in grootte, kleur en het geluid dat ze maken. Zo is Kloothommel de kleinste en Snotaap de grootste. Vrijwel alle dieren passen op dat ze niet op Suikerspin gaan staan die één van de kleinere aanwezigen is. Goudhaan is oogverblindend met zijn gouden verenpak en Stropdas heeft het saaiste uiterlijk van allemaal met zijn grijze vacht en grijze strop om. Stokpaardje valt op bij het voortbewegen door het luide geklepper van zijn houten poten en Fietspad is altijd te herkennen aan het geluid van de boeren die hij geregeld laat.
Een groot deel van de groep is goed voorbereid om zijn herinnering van Rioolrat te delen. De meesten hebben ergens een voorwerp vandaan gehaald om het verhaal uit te kunnen beelden. Er zijn echter Fabula’s die nog niet klaar zijn om een verhaal te delen. Snotaap en Politiemol blijven wat achteraf staan, in de hoop dat hen nog een mooie herinnering te binnen schiet.
Terwijl de Fabula’s een plekje zoeken rondom Suikerspin, ontstaat er consternatie. Verschillende Fabula’s stuiven weg om uit te buurt te komen van Hooligans die om zich heen slaat met zijn vleugels. Hooligans is een indrukwekkende verschijning met zijn lange nek, hoge poten en dikke kont. Hij ziet er onverzorgd en ruw uit. Kloothommel zit op zijn snavel en omstrengelt met zijn lange tong de tong van Hooligans. Hooligans spuugt Kloothommel uit op de grond en snatert kwaad: ‘Wat doe jij nou, viezzze homo?!? Ben je helemaal gek geworden?’ Hij spuugt nog een paar keer rondom Kloothommel om zijn bek schoon te maken. Kloothommel kijkt versuft naar zijn vriend en snapt er niks van. Hij denkt: “Wat bezielde me?” ‘Sorry, Hooligans, dat waos niet mijn bedoeling. Ik zal het nooit meer doen.’ Bij deze laatste zin begint een Fabula’s te lachen. Zij weten dat dit niet de laatste keer zal zijn en kijken al uit naar de volgende keer en die keer daarna. Snotaap vindt het prachtig. Zijn grapje werkt uitstekend. Die homofoben zal hij eens een lesje leren. Jammer dat zijn andere lesje niet gelukt is om in de hypnose toe te passen.
Goudhaan maant tot stilte. Als voorzitter van de raad van de Fabula’s is hij gewend aan het leiden van de bijeenkomsten. Hij trapt de ceremonie af. Hij schudt zijn gouden veren en met zijn plechtige stem begint hij: ‘Kukeleku, kukelekoe, kukelekonijn.’
‘Kukeluku, kukelekat, kukelekikker.’ Groet de rest terug.
‘We zijn hier bijeen in herinnering van Rioolrat, de beste vriend van Suikerspin, beheerder van onze winkel en redder in onze hoogste nood. We hebben allemaal ons leven te danken aan Rioolrat. Het is jammer dat we slechts kort de tijd hebben gekregen om hem te bedanken en te eren voor zijn heldendaad. Te snel na zijn heldendaad is hij plotseling verongelukt. Zijn dood vier maanden geleden was een waar verlies voor onze gemeenschap. Rioolrat was voor ons allemaal op zijn eigen manier belangrijk. Ieder van ons zal een verhaal delen dat hem of haar herinnert aan Rioolrat. Wie wil er beginnen?’
Schildersezel stapt naar voren en toont de groep een schilderij van Rioolrat. Hij wil wat zeggen, maar hij schiet vol en staat als een klein kind onbeheerst te snikken. Het balkende geluid is verschrikkelijk en gaat door merg en been. Goudhaan loopt naar hem toe, klopt bemoedigend op zijn schouder en pakt het schilderij van hem over om hem goed te laten zien. Het is een uiterst abstract schilderij van Rioolrat, namelijk een rondje voor zijn hoofd, een driehoek voor zijn snuit en 6 strepen die zijn snorharen aangeven.
Goudhaan bedankt Schildersezel voor zijn bijdrage en zegt: ‘Dank aan Schildersezel voor deze bijdrage.’ Plechtig sluit Goudhaan af met de zegening: ‘Eer de oer, eer de fabel.’ De Fabula’s geven als antwoord: ‘Eer de oer, eer de fabel.’ Ze zingen: ‘Oeeeh, oehoeh, oeeeh.’ Deze zegening is een verwijzing naar de oorsprong van de Fabula’s. De Fabula’s geloven dat het fabeldier het eerste bijzondere dier was en leefde in het eerste oerwoud van de wereld. Er s veel mysterie rondom het werkelijke bestaan van het fabeldier, maar niet voor de Fabula’s. Zij zien het fabeldier als hun begin.
Goudhaan vraagt ‘Wie wil wat vertellen?’ Proefkonijn steekt zijn poot op. ‘Ik wil wel beginnen.’ Hij begint rustig te vertellen en weet zijn verhaal zonder verstikt te raken in emoties over te brengen. Proefkonijn is op dat moment één van de weinigen die zijn emoties niet toont. Andere dieren staan onrustig heen en weer te schuifelen en weer anderen pinken tranen weg. Bij de voorbereiding van de ceremonie waren de Fabula’s vooral gericht op het vinden van een verhaal om Suikerspin te helpen. Nu ze aan het delen zijn, verandert de sfeer en overheerst het verdriet om Rioolrat.
Proefkonijn deelt zijn verhaal over de tijd dat hij met Suikerspin en Rioolrat op school zat. Ze zaten in dezelfde groep en kregen les in het reuzenrad vanuit een karretje. Mevrouw Kerkuil gaf les over de wereld en vanuit het hoogste punt van het reuzenrad kon ze veel aanwijzen om het goed uit te leggen. Proefkonijn vertelt over zijn schoolvriend en hoe moeilijk Rioolrat het ermee had dat hij zo gewoon was in vergelijking met andere Fabula’s. Hij was een grijze rat en leek geen enkele gift te bezitten. Totdat het moment dat hij hun held werd en hij de meest nuttige gift bleek te bezitten die hen allemaal het leven redde. Hij was zo blij voor zijn oude schoolvriend dat hij in zijn korte leven zo bijzonder is geweest. Als aandenken heeft Proefkonijn een schrift bij zich met gekladder van Rioolrat, Suikerspin, Luistervink en hemzelf. Hij houdt een pagina voor de ogen van Suikerspin. Er komt geen reactie. De dieren blijven een ogenblik stil kijken of het verhaal een reactie oplevert, maar nee, er gebeurt niets. Goudhaan zegt: ‘Dank aan Proefkonijn voor deze bijdrage. Eer de oer, eer de fabel.’ De Fabula’s geven als antwoord: ‘Eer de oer, eer de fabel. Oeeeh, oehoeh, oeeeh.’
Stoeipoes neemt het woord en vertelt dat ze Rioolrat als een stiekeme kwajongen kende. Hij had veel streken waar je op beducht moest zijn. Niet dat hij onaardig of vervelend was, maar hij zocht wel de grenzen op. Hij wilde alles uit het leven halen en dat was te merken. Zo heeft ze Rioolrat en Suikerspin een keer in haar slaapkamer gesnapt. Ze heeft ze zonder pardon haar slaapkamerraam uitgemieterd, waarbij ze terecht kwamen op een ijzeren vuilnisbak. Dat maakte een dof geluid en Stoeipoes maakt hetzelfde geluid door met een stok op een ijzeren deksel te slaan.
Opnieuw blijft het stil na het verhaal en wachten de dieren op een reactie van Suikerspin. Het lokt geen enkele reactie uit, waarop de volgende na de zegening zijn beurt pakt. Zo worden er uiteenlopende verhalen gedeeld over een weddenschap wie de meeste mayonaise kan eten, een slechte outfitkeuze van Rioolrat, de bizarre items die te koop waren in de winkel van Rioolrat zoals een miniatuurmens van plastic die kan praten en de keer dat de hele gemeenschap op werd geschrikt door de bommen aan touwtjes die overal afgingen. Terugkijkend op het leven van Rioolrat, leek het alsof hij zijn gebrek aan bijzonderheid compenseerde met kattenkwaad. Zijn liefde voor smerigheid komt vaak terug.
De geur van mayonaise, het kledingstuk dat Rioolrat droeg, het geluid van de plastic man en het geluid van een ontploffing leveren allen geen reactie op. Stokpaardje complimenteert de Fabula’s die geur gebruiken bij hun herinnering. Hij benadrukt nogmaals dat dit de krachtigste prikkel is.

Suikerspin locatie onbekend
Suikerspin loopt door. Het is niet echt lopen. Het is meer alsof hij zichzelf een hele dikke zware massa in duwt. Heel moeizaam komt hij stukje bij beetje wat verder. Het pijnlijke gevoel verscheurt hem. Hij voelt de pijn van eenzaamheid. Alsof er een stuk van hem verloren is gegaan. Het is een groot gemis. Iets dat hij nooit meer terug zal krijgen. Het geeft hem een loodzwaar gevoel, het maakt hem somber. Hij voelt verdriet om iets waar hij niet bij kan. Waarom maakt het hem zo verdrietig? Waarom voelt hij zich zo alleen en angstig? Dan verdwijnen deze gevoelens van wanhoop en wordt hij boos. Hij is zo boos en voelt zich in de steek gelaten. Hij begrijpt er niets van, maar hij ervaart het wel. “Waar komt dit vandaan? Is dit zijn eigen gevoel?”
De pijn verteert hem. Hoe erg het ook is, hij zet door. De dikke nevels om hen heen veranderen. De nevels trekken samen en beginnen te kolken. Door het kolken waait er een wind om hem heen, waardoor hij als een speelbal heen en weer wordt gegooid. Op sommige momenten trekken de kolkende nevens zich terug en ziet hij delen van momenten. Lessen van mevrouw Kerkuil bovenin het reuzenrad, een schrift, harde knallen van ontploffingen, patat en mayonaise. De pijn van verdriet en eenzaamheid wijkt een klein beetje voor opgetogenheid en nieuwsgierigheid. De mist is er nog, maar het verder trippelen gaat iets makkelijker. Hij loopt door, het middelpunt van de mist in.
Fabula’s op de kermis
Er is geen zichtbare reactie bij Suikerspin. Stropdas verzucht ‘Het is allemaal niet krachtig genoeg. We moeten een herinnering ophalen die heel veel betekende voor Suikerspin.’ Bijna alle dieren zijn geweest, maar Politiemol kan niet kiezen wat hij zal vertellen. Hij heeft zoveel meegemaakt met het kattekwaad van Suikerspin en Rioolrat. ‘En denk eraan dat het goed moet geuren.’ Herhaalt Stokpaardje nog een keer.
Dit triggert iets bij Politiemol. ‘Ik ben zo terug.’ Hij krabbelt weg.
De laatste paar dieren die aan de beurt zijn, vertellen hun verhaal. Even later is Politiemol terug en heeft een bak mee genomen die verschrikkelijk stinkt. Een nare, zure lucht van iets dat bedorven is of aan het rotten is. De anderen wijken weg ‘Bah, wat een stank. Moet dat nou?’
De anderen kijken verbouwereerd als ze zien dat Politiemol braaksel heeft meegenomen. ‘Ja,’ zegt Politiemol, ’Dit is de herinnering en geur die Suikerspin zeker wat gaat doen. Als dit niet werkt, dan werkt niets en zullen we het over een andere boeg moeten gooien.’ Politiemol gaat pal voor Suikerspin staan met de bak onder de neus van Suikerspin. En hij vertelt: ‘Ik ben niet zo snel kwaad te krijgen, maar één keer zijn Rioolrat en Suikerspin echt te ver gegaan met hun streken. Ik heb ze opgepakt. Om ze zwaar te straffen heb ik ze een avond in de gevangenis gezet.’ Een zucht van afschuw verlaat de lippen van alle dieren. Een hele avond in de gevangenis, is een zware straf. Politiemol vertelt over de straf: ‘Ik heb Suikerspin en Rioolrat in het speciaal gebouwde hokje op de Breakdance gezet. Dat hokje zit op de voorkant van een karretje, zodat je de bewegingen van de machine extra goed voelt. Ik heb het al zo vaak gezien. De eerste paar tourbeurten vindt men het leuk in het hokje en denkt men dat het een makkie wordt om die avond uit te zitten. Maar na 15 toerbeurten worden ze misselijk van het gedraai, van de felle lichten, van de gekleurde lampen, van het lawaai. Alle zintuigen worden overspoeld en je weet niet meer wat onder of boven is. Na zo’n 40 toerbeurten door elkaar geschud te worden op hoge snelheid, kotsen ze hun volledige maaginhoud uit. Zo ging het ook bij Suikerspin en Rioolrat. Ik had met ze te doen, maar ik vond het nodig. Met name voor Suikerspin vond ik het een wat te zware straf. Vaak is Rioolrat de boosdoener van de twee en doet Suikerspin niet zoveel anders dan meegaan. Toch moesten ze er van mij aan geloven. En daardoor heb ik zelf gezien hoe bijzonder de vriendschap tussen hen was. Want Suikerspin had het heel zwaar, hij was ontzettend bang. Suikerspin had hier een hele vervelende ervaring aan over kunnen houden, maar door Rioolrat is dat niet gebeurt. Ik had het niet verwacht van Rioolrat, maar ik heb respect gekregen voor de manier waarop hij zijn vriend erdoorheen heeft gesleept. Hoe erg Rioolrat zich ook voelde, dat was hem niet aan te zien. Hij bleef praatjes maken tegen Suikerspin en gekke bekken trekken. Zelfs toen Rioolrat ook over zijn nek ging, bleef hij doen alsof het allemaal wel meeviel. De vriendschap van Suikerspin en Rioolrat was daarna hechter dan ooit.’ Politiemol drukte aan het einde van zijn verhaal nog een keer de bak met braaksel goed onder de neus van Suikerspin.
Suikerspin locatie onbekend
Dicht op het middelpunt, rook hij het. Die ongelooflijk vieze geur. Hij kneep zijn neus en ogen dicht om die geur te vermijden, maar het lukte niet. Hij rook het. De geur van die verschrikkelijke avond. Wat was hij bang! In de gevangenis. Draaien en draaien. Het bleef maar doorgaan en hij voelde zich kots- en kotsmisselijk. Hij had alles ondergekotst. Zo vies en zo lachen. Zo lachen met Rioolrat. Zijn grappen, zijn praatjes en die bekken van hem. Hij had nog nooit zo gelachen en zich zo ellendig gevoeld tegelijkertijd. Door Rioolrat. Rioolrat…zijn beste vriend.
Hij wist het weer. De herinneringen over Rioolrat stroomden zijn hoofd in als een razende wervelstorm. Die keer dat ze zo hard lachten dat de frisdrank uit hun neus spoot, die keer dat Stoeipoes ze niet heeft betrapt in haar slaapkamer, die keer dat ze vast kwamen te zitten in het Lunapark, die keer dat Rioolrat zijn leven redde, die keer dat Rioolrat iedereens leven redde, die keer dat hij boos was op Rioolrat en hem een bloedneus had geslagen en meer en meer en meer herinneringen. Hij volgde de kern van de wervelstorm en voelde plezier, lachen, verbondenheid, steun, genieten van het leven, avonturen beleven, spanning en sensatie. Hij rende harder en harder en zag alle momenten met Rioolrat aan zich voorbij trekken. Zijn beste vriend. Wat miste hij hem. Hij was zo’n groot deel van hem, van zijn leven, van het plezier dat hij had. En dat is weg. Hij is er niet meer. Hij is dood. De herinneringen van de dood van Rioolrat en het afscheid kwamen hard bij hem binnen. Het onwerkelijke dat zijn vriend niet meer leefde. Niet meer langs zou komen, niet meer samen op pad, niet meer de winkel beheren, niet meer van alles, van alles. Het verdriet vermengt zich met de vrolijke, mooie en fijne herinneringen. Hij kon het toen niet bevatten en nu wel. Zijn allerbeste vriend heeft hij verloren.
De tranen komen uit het diepste van zijn wezen, zijn lichaam schokt van de kracht en hij huilt. Hij huilt zoals hij nog niet heeft gehuild om het verlies van zijn beste vriend.

Fabula’s en Suikerspin op de kermis
Na het verhaal van Politiemol staan de Fabula’s stil naar Suikerspin te kijken. Iedereen is even alleen met zijn eigen gedachtes, herinneringen en verdriet. In deze stilte vormt zich een traan in de ooghoek van Suikerspin. De traan sijpelt naar beneden over het harige lijf van Suikerspin en valt naar beneden op de grond. De dieren staan ademloos te kijken naar de traan. Dan knippert Suikerspin met zijn ogen en volgen er nog meer tranen als een kraan die is opengedraaid.
Politiemol staat nog altijd vlak voor Suikerspin. Hij gooit de bak met braaksel weg en slaat zijn korte poten met lange klauwen om de nek van Suikerspin en geeft hem een stevige omhelzing. Politiemol lacht en is opgelucht: ‘Blij om je te zien, Suikerspin. Huil maar eens goed om Rioolrat.’
Terwijl Goudhaan de vieze drab van zich af smeert, kijkt Suikerspin verward om zich heen. Hij ziet dezelfde emoties bij de andere Fabula’s als bij zichzelf, verdriet en opluchting.
‘Wat zijn wij blij om jou weer springlevend te zien!’ roept Stropdas tegen zijn aard in. De andere Fabula’s vallen Stropdas bij en voegen hun uitroepen van gelukwensen samen als een koor dat een lied ten gehore brengt.
De afgelopen maanden had Suikerspin zo goed en kwaad als het ging zijn leven weer opgepakt na de dood van Rioolrat. Doorgaan met al die gewone dingen. Doorgaan zonder Rioolrat. Het was moeilijk geweest en daarom had hij geprobeerd om niet teveel stil te staan bij de gebeurtenissen. Maar vooral doorgaan. Hij had zichzelf geen momenten gegund om bij zijn verdriet stil te staan en dat wilde hij nu veranderen.
‘Willen jullie me helpen?’ vraagt Suikerspin aan alle verzamelde Fabula’s. Inmiddels is de hele gemeenschap aanwezig. Zelfs Geldwolf is teruggekomen om erbij te zijn. De avond is gevallen en de Fabula’s staan in het donker bijeen. Het beetje licht dat ze hebben om elkaar te zien, komt van de kermisattracties.
‘Ik wil graag samen met jullie nog even stil staan bij Rioolrat. Ik mis hem. Zullen we een kaars branden? En als iemand nog een mooie herinnering heeft, dan wil ik die graag horen.’ De vraag roept zijn verdriet ten volle op en Suikerspin schiet vol en de tranen volgen.
Fietspad heeft een beter idee en haalt een paar trekbommen uit zijn fietstas. Suikerspin lacht door zijn tranen heen, zodra hij de trekbommetjes ziet.
Schildersezel komt naar voren en laat het schilderij van Rioolrat aan Suikerspin zien. Het ontroert Suikerspin om Rioolrat terug te zien op papier. Op de één of andere manier heeft Schildersezel het karakter van Rioolrat kunnen vatten. Intelligent, ongelooflijk nieuwsgierig, steekt zijn neus in allerlei zaken die hem niets aangaan en guitig. Schildersezel begint met praten en dit keer wordt hij niet door emoties overmand. Hij vertelt zijn verhaal. Tot besluit van zijn verhaal steekt hij een van de kaarsen aan die Stoeipoes snel uit haar woning heeft gehaald. De kaars zet hij in het midden van de kring. Na Schildersezel volgen één voor één alle Fabula’s om hun verhaal te vertellen. Hoewel de meesten al een herinnering hadden gedeeld toen Suikerspin nog in zijn hoofd was verdwaald, heeft iedereen er behoefte aan om een verhaal te delen met de gehele gemeenschap samen. Aan het einde van elk verhaal wordt een kaars aangestoken en bij de andere kaarsen in het midden van de kring gezet. Het plechtige gevoel van deze bijeenkomst wordt benadrukt door het flakkerende kaarslicht in het donker dat het bonte gezelschap van Fabula’s zacht verlicht. Ze staan dicht tegen elkaar en sommige dieren houden elkaar vast. Uiteraard is daar Knuffelbeer die zijn ene arm om Stokpaardje heeft en de andere om Schildersezel. Proefkonijn leent de oude zakdoek van Snotaap om zijn neus te snuiten, maar bedenkt zich als hij de zakdoek aan wil pakken. Suikerspin staat er nietig en alleen bij. Hij luistert en huilt en lacht en wordt een enkele keer boos bij een onthulling. Hoe alleen hij zich voelt door zijn beste vriend te herinneren, wordt gecompenseerd door de verbondenheid die hij voelt met alle nog levende vrienden en kennissen. Samen delen ze het verlies en voelen de kracht van het helen. Als laatste steekt Suikerspin een kaars aan. Het kaarslicht versterkt de prachtige, roze glinstering in Suikerspin zijn vacht. Suikerspin neemt nog één keer het woord: ‘Dank jullie wel. Ik zat opgesloten in mijn hoofd, verdwaald. Mijn onverwerkte verdriet had de weg naar mijn hart afgesloten. Door jullie begeleiding kon ik de weg uit mijn hoofd naar mijn hart vinden. Rioolrat zal altijd een bijzonder plekje in mijn hart hebben en ik zal hem daar regelmatig opzoeken om hem nooit te vergeten.’
Einde
© Copyright 2023 Sugarspider – Nadine Vestering

